Geld motiveert mij meer dan ooit in Wardogs
Noem mij voortaan maar Ke-ching
Achter een muurtje doe ik een poging om op adem te komen. Terwijl de kogels virtueel over mijn hoofd vliegen, zie ik een goede vijftien meter verderop een teamgenoot liggen. Ga ik het wagen er heen te rennen en wat eerste hulp te verlenen, of laat ik ‘m gaan in de hoop er zelf heelhuids uit deze strijd komen. Ik twijfel, maar dan verschijnt er een bounty boven hun hoofd: 500 dollar voor de hulp. Ik twijfel niet langer en zet een sprintje in – iets wat Wardogs mij keer op keer laat doen.
“Teamwork makes the dream work” – ik zucht al hardop wanner ik de zin uitschrijf. Gamemakers proberen spelers iedere keer weer te motiveren je als een team te laten werken in verschillende rollen, “want alleen zo is de overwinning haalbaar,” suggereren de makers. Maar gamers blijven stronteigenwijs en dus eindig ik in Battlefield altijd weer in een squad met drie engineers… dat wou ik al zijn!


Wanneer het geld begint met rollen verandert de zaak voor mij. Hoewel ik mijzelf niet als geldwolf wil bestempelen, gaat mijn hart zeker harder kloppen van keiharde virtuele euro’s en de nieuwe militaire shooter Wardogs speelt daar heel slim op in. De kassa rinkelt continu en iedere bijdrage die ik lever, laat het geld rollen. Voor elke actie wordt ik beloond en opeens draag ik vanzelf bij aan het grotere plan: minder populaire rollen zoals chauffeur of verpleegkundige zijn plots even relevant als het vechten aan de frontlinie.
XP doet het niet meer
Naarmate ik ouder word, worstel ik meer en meer met online shooters: ze weten mijn interesse niet meer vast te houden. Nieuwe levels zijn tof om te ontdekken, een nieuw wapen vrijspelen is leuk, maar de arbitraire cijfertjes die ik ervoor terug krijg motiveren niet meer. Wanneer ik zie dat ik weer een wapen waar ik eigenlijk helemaal niet mee wil spelen tot level 50 moet levelen om een fatsoenlijke demper vrij te spelen, haak ik af.
Dit is anders bij Wardogs, daar wil ik maar wat graag nog een extra potje opstarten om verder te grinden. Niet om de XP die ik krijg, maar om het virtuele geld dat continu mijn net zo virtuele bankrekening aanvult. Het wakkert een soort geldbelust instinct aan waarbij een hoger saldo een beter gevoel geeft – de kapitalistische indoctrinatie heeft over de jaren goed zijn werk op mij gedaan. Het feit dat Wardogs continu je saldo in beeld toont,helpt natuurlijk ook niet om dat gevoel te onderdrukken.

Natuurlijk geeft ontwikkelaar Bulkhead je voor alles ook ervaringspunten, het blijft immers een spelletje. Maar die punten zijn voor mij in Wardogs pure bijzaak geworden, iets waar ik eigenlijk niet eens meer op let. Dat ik zoveel mogelijk in mijn rol als verpleegkundige moet spelen om om de defibrillator vrij te spelen neem ik voor lief, omdat ik weet dat deze mij weer helpen sneller geld in het laatje te brengen.
Een heitje voor een karweitje
Net als ervaringspunten is het geld een virtueel nummer dat oploopt, maar toch motiveert het geld mij mee om een stap extra te zetten. Gevallen teamgenoten die eigenlijk uit de route liggen, zou ik normaal laten gaan – “teveel moeite”. Nu ren ik om, neem ik een extra risico om toch te proberen die teamgenoten te redden. Het klinkt heel moedig, maar uiteindelijk weet ik dat het vooral goed is voor de bankrekening als het lukt. Het fooi dat ik van die andere speler krijg, is mooi meegenomen.
Ik ben niet de enige bij wie het kwartje valt in Wardogs. Er zit namelijk ook een keerzijde aan dit systeem: praktisch alles in de game kost geld. Het recht om wapens en materieel te gebruiken moet je afkopen, iedere kogel en granaat kost je virtuele dollars en als je jouw team benadeelt mag je betalen. Spelers die games als Call of Duty gewend zijn en als een kip zonder kop rond rennen, komen van een koude en vooral dure kermis thuis.

Spelers die net als ik diezelfde intrinsieke motivatie hebben om een extra virtueel zakcentje te verdienen, blijven plakken. Ook zij maken die extra meters om een virtuele collega te redden, of pendelen nog een keer extra op en neer tussen de basis en de frontlinie om de troepen van materieel te voorzien. Niet omdat we allemaal opeens een enorme collectiviteitszin hebben ontwikkeld, maar omdat het zo’n goed gevoel geeft als die virtuele geldla rinkelt. Ke-ching!

