Vintage fotografie hielp me het verlies van een camera te verwerken
Analoge heling in het digitale era
Rouwen om apparatuur klinkt vreemd, maar ik heb het gedaan. Ik doe het nog steeds een beetje. Eind 2024 werd ik beroofd van nagenoeg al mijn cameraspullen – en daarmee gevoelsmatig ook van mijn hobby, mijn werk en mijn kunde. Je fotografeert immers niet fraai met slechts een bak verdriet op zak, in plaats van een camera in de hand. Om mezelf te herpakken keerde ik terug naar de basis, met een boel stokoude spiegelreflexen, lenzen en verlopen fotorolletjes.
Verstandiger was om ‘gewoon’ mijn gestolen materiaal terug te kopen, maar daar was ik kort na de klap nog niet aan toe. Zonder vertrouwde camera was ik ook een stukje van mijn vertrouwde zelf kwijt. Dat stukje moest ik terugvinden, voordat ik halsoverkop duizenden euro’s in camera’s en lenzen investeerde. Daarom koos ik ervoor om, al worstelend met weinige behulpzame verzekeringen en politierechercheurs, eerst wat ouder spul bij elkaar te sprokkelen.
Ik heb vaak gezegd dat ik dat voor de prijs deed. Dat ik stoffige, tweedehands lenzen kocht, omdat ze goedkoper uitvallen dan nieuw spul – dat doen ze ook. Bij nader inzien moet ik toegeven dat ik mezelf vooral wilde beproeven. Was ik alleen mijn spullen kwijt, of ook mijn vaardigheid? Om dat laatste uit te sluiten, kocht ik amper twee weken na de beroving een afgeleefde Nikkormat FT2 en bijpassend budgetlensje.


Als ik wat moois kon schieten op lenzen en bodies ouder dan alles wat ik hiervoor gebruikt had, ouder dan mijn eigen bestaan, dan had ik mezelf wel bewezen. Dan had ik dat stukje van mezelf toch niet verloren. Dat was de gedachte.
Thuiskomen in het konijnenhol
Het is maar hoe je met onzekerheid worstelt in rouw, maar mijn terugkeer naar de basis bleek helende werking te hebben. Binnen één rol foto’s was ik verslingerd aan vintage camera’s en bijbehorende lenzen. Een beetje rabbit hole houdt de geest bezig – en mijn geest voelde zich thuis in dit specifieke holletje. De lompe tactiele klik van een volledig metalen spiegelreflex sloeg aan, terwijl ik nostalgische gevoelens ontwikkelde bij het priegelen met fotorolletjes. Die kende ik nog van voordat ik zelf serieus aan fotografie begon.
Gaandeweg sloegen de kwinkslagen van filmemulsie aan. De ruwe korrel, een onverklaarbare lichtvlek op zijn tijd of verkleurde rolletjes voorbij hun houdbaarheidsdatum: het heeft een zekere charme. Per ongeluk twee opnames deels over elkaar geschoten? Ook dat bleek een vibe. Het zijn precies de ‘fouten’ die moderne camera’s over de jaren efficiënt uitgeroeid hebben, welke nu charmant in het oog springen. Volledig doorgebrande of afgescheurde rol daargelaten – ook die pijn heb ik moeten verwerken.
Uiteindelijk waren het de negatieven op die eerste paar rollen die me het best deden. Vanzelfsprekend bleek niet elk kiekje perfect, maar er zat genoeg moois tussen. Afgezien van een paar missers, had ik het licht vaak geslaagd gevangen. Dat gaf enige zekerheid: ik was mijn gevoel voor compositie en lichtcompensatie niet verloren. Still got it.
Een gebedstocht door de geschiedenis
Het hele idee van mijn eigen beproeving vervaagde kort daarna: analoge en vintage fotografie werd een stukje zelfverrijking. Terwijl ik mijn zelfverzekerdheid terugvond op film, stak ik meer op over de apparatuur. Het groeide uit tot een soort gebedstocht in de geschiedenis van Nikon, ‘mijn’ cameramerk. Wat Nikon immers ooit betaalbaar maakte met deze Nikkormat, is uiteindelijk doorgegroeid tot het nieuwste digitale spul.
door mijn pelgrimage zag ik in hoe goed het oude spul stiekem al die tijd was. En hoe goed dat nog steeds kan zijn.
Terwijl ik langzamerhand weer dat modernere, digitale spul inkocht – video laat zich lastig vastleggen op analoge fotocamera’s – vond ik ondertussen meer waardering voor de hedendaagse apparatuur. Pijlsnelle autofocus en volautomatische belichtingscorrectie zijn nu eenmaal enorm praktische hulpmiddelen. Toch wist ik nu zeker: ik heb ze niet per se nodig om iets fraais te schieten.
De wetenschap dat je met minder hulpmiddelen ook wat moois kan maken, is waardevol. Dat zeg ik als iemand die op een gegeven moment al zijn hulpmiddelen is verloren. Tegelijkertijd zag ik door mijn pelgrimage ook in hoe goed het oude spul stiekem al die tijd was. En hoe goed dat nog steeds kan zijn.
Spul dat tegen een stootje kan
Er volgde een vintage vleugje ‘GAS’: gear acquisition syndrome. De oude apparatuur prikkelde – dan wil je er meer van. Je leest over legendarische lenzen van weleer, waarvan een boel hier in de Benelux nog gretig van handen wisselen. Voor je het weet zit je bij een vriendelijke Marktplaats-verkoper aan de keukentafel: er is net nóg een doos op zolder gevonden. Natuurlijk laat ik die logge Sovjetcamera en bejaarde macrobalg niet liggen. Niet voor– wat is redelijk, twee tientjes? Hand erop.


De vier oude spiegelreflexen en vele lenzen die ik uiteindelijk oppikte, werken in de meeste gevallen nog net zo betrouwbaar als ze decennia geleden deden. Zelfs de budgetvriendelijke body’s werden vroeger klaarblijkelijk als absolute tanks gebouwd, butsen in het pantser en al. Nieuw rolletje en batterijtje erin – en die klikken gewoon weer lekker weg. Dat doorzettingsvermogen was inspirerend. Zelf bleek ik immers ook nog redelijk door te klikken na een flinke stoot.
Objectief leuke lenzen
Toch genoot ik het meest van goede vondsten wat betreft objectieven. Mooi glas in een metalen cilinder: wat wil je nog meer? Soit, er zit geen autofocus- of stabilisatiemotor in, maar goed glas is goed glas. De indeling en kwaliteit van de lenscomponenten is wat er écht toe doet voor het plaatje, niet de knopjes of radertjes daaromheen. Geen wonder dat de lenzen van een halve eeuw geleden – mits niet verwaarloosd – vandaag de dag nog steeds vlijmscherpe opnames maken.
Op een enkeling na sloegen al mijn vintage aankopen aan. Elk objectief had wel wat. Specifieke oude Nikkors visualiseren in het midden haarscherp, met richting de randen een interessant verval van de focus. Legio vintage lenzen bieden een uniek soort bokeh: het onscherpe beeldveld wordt draaierig of neemt aparte vormen aan. Lens flares, interne reflecties van felle lichtbronnen, zie je eveneens vaker terug in dit glas.
Ook hier is vaak sprake van ‘imperfecties’ die over de jaren weg-geoptimaliseerd zijn, terwijl ze juist ontzettend interessante plaatjes schetsen. Een paar van mijn favoriete vondsten schieten dromerige, borderline psychedelische beelden. Dat heeft veel potentie voor filmisch videowerk, zonder direct de hoofdprijs van een Hollywood-waardige nieuwe prime te kosten.
Fotografisch full circle
Dit is ook waar mijn vintage fotografie-experiment full circle terugkeert in mijn digitale werk. Een flinke greep oude lenzen bleek dermate scherp dan wel charmant, dat ik ze nu regelmatig op moderne camera’s monteer, voor zowel hobbyistisch als professioneel werk. Mijn meest gebruikte portretlens stamt uit 1971 en laatst testte ik in Taipei een nieuwe videocamera met een budgetlensje uit de Sovjet-Unie, die optisch weer was afgekeken van een naoorlogse Duitse hoogvlieger.
Al die karakteristieken en kleine details zullen de meeste kijkers niet opmerken; de rijke geschiedenis van het vintage spul gaat aan hen voorbij. Dat is ook helemaal in orde. Ik geniet er zelf wel van, met de wetenschap hoe mooi dat oude grut is – en wat ik daarmee kan.
Het kostte me maar een afgeladen cameratas en een boel handjeklappen via Marktplaats, maar de apparatuur van een voorgaande generatie heeft me door een vaak uitzichtloos dal geschoten. Onderaan de streep ben ik er een betere fotograaf van geworden, met een diepere waardering voor de apparatuur. Dat kan niemand van me nakken.


